Aflevering gemist van ‘De verdwenen kamer’? Lees hier alle hoofdstukken.

Ben je lid van de Nachtbrief en ben je een aflevering kwijt? Of ben je pas net lid en heb je een aflevering gemist? Hieronder lees je het hele verhaal tot nu toe.

vervolgverhaal

De verdwenen kamer

Hoofdstuk 1    Wachtpost

‘Heeft iemand de afgelopen week iets verdachts gezien?’
Anniek tikt met haar pen op de nog lege bladzijde in het clubschrift dat op haar schoot ligt.
‘Nee, alleen maar saaie dingen,’ klaagt Flora.
Daniël knikt en schuift de lantaarn die in het midden staat naar Anniek, zodat ze beter zicht heeft. Het is altijd donker in het ijshuis, de geheime vergaderplek van De Groene Hand. Het ijshuis zit half onder de grond en heeft geen ramen. Vroeger gebruikten de mensen uit het kasteel het om spullen koel te houden. Nu is het een prima vergaderplaats voor de Groene Hand.
‘Ik heb wel iets gezien,’ zegt Fabio. ‘Bij de benzinepomp reed gisteren een raar busje met zwarte graffiti erop.’
‘Heb je het kenteken opgeschreven?’ vraagt Anniek terwijl ze aantekeningen maakt.
‘Nee, vergeten.’
‘Jammer, maar zo bijzonder is zo’n busje ook weer niet,’ zegt Hilde.
‘Hoe weet jij dat nou, je hebt het niet eens gezien.’ Fabio pakt een dropvleermuis uit het bakje Halloweensnoep dat Anniek heeft meegenomen. Hilde vist naar een schedel.
‘Oké, dan let ik vanaf nu op. Ik ben benieuwd.’
‘Het tankstation is vlak bij school dus we kunnen het makkelijk in de gaten houden,’ zegt Daniël. We kunnen zelfs…’ hij springt op. ‘Ik heb een idee! We kunnen een wachtpost maken bij het tankstation. Daarachter ligt een heleboel rommel waarmee we kunnen bouwen.’
‘Ja, een boomhut!’ roept Hilde. ‘Er zijn daar bomen met heel dikke takken. Laten we meteen gaan!’

Het terrein achter het tankstation is verlaten. Er staat een rij met verf bespoten garages die niemand meer gebruikt. Daarnaast een berg bouwafval: planken, bakstenen en verroest ijzerdraad. Iets verderop liggen twee gebouwtjes met dichtgetimmerde ramen.
‘Is dit wel een goede plek voor een clubhuis?’ vraagt Anniek. Ze plukt aan stengels onkruid.
‘Natuurlijk,’ zegt Hilde, die zich al optrekt aan een laaghangende boomtak. Handig klimt ze verder omhoog. ‘Het is een supergeschikte plek. Kijk maar, vanaf hier zie je de school én de benzinepomp, wat wil je nog meer?’
‘Hé, kom eens helpen!’ roept Fabio, die een pallet uit de berg bouwafval staat te trekken.

 

Hoofdstuk 2    Busje

‘Passen we er zo allemaal in? Kom ook even naar boven Flora, dan kunnen we het testen.’
Flora ziet Annieks hoofd tussen de gele en oranje boombladeren uitkomen. De boomhut zelf is vanaf de grond nauwelijks te zien. Flora klimt. Als ze bijna boven is zwiept er ineens een plank omhoog. Hij komt nét niet Daniëls gezicht terecht. Flora springt van schrik terug naar de grond.
‘Niet stevig genoeg.’ Hilde beweegt de plank heen en weer. ‘We hebben gereedschap nodig en spijkers. Ik ga thuis wel wat halen, wie gaat er mee?’
Fabio biedt zich aan en de twee vertrekken.
Nu kan Flora zonder problemen in de hut klimmen. Ze vindt het geweldig om de boel vanuit deze plek in de gaten te houden, alsof ze een vogel is.
‘Alleen jammer dat we geen kussens hebben!’
‘En dekens,’ vult Anniek aan. ‘Zullen we bellen of ze die meenemen?’
Daniel lijkt niets te horen en hangt ontspannen tegen de boomstam alsof hij nu al op een zachte bank ligt.
‘Een ladder is ook handig,’ bedenkt Flora.
‘Een touwladder is beter. Die kun je omhoog trekken, dat valt minder op,’ vindt Anniek. ‘Iedereen kan hier wel naar boven klimmen.’
‘Wie komt er nou naar deze plek?’ bromt Daniël. ‘Volgens mij …’
Hij wordt onderbroken door motorgeronk. Drie hoofden gluren tussen de bladeren door naar beneden. Daar rijdt een grijs busje over het terrein. Het kan wel een wasbeurt gebruiken en het zit volgeklad met graffiti.
Flora’s maag trekt samen. Gespannen volgt ze het busje met haar ogen. Het stopt tussen de garages en de gebouwtjes. De deur van de bestuurder klapt open. Er stapt een jonge man uit. Hij draagt een zwarte trui en heeft een muts op. Ook de passagiersdeur hoort Flora open gaan maar ze kan niet zien wie daar uitstapt. De man met de muts schuift de zijdeur van het busje open en loopt dan naar de achterkant, waardoor hij uit beeld verdwijnt. Flora hangt zo ver mogelijk over de rand van de hut om beter te kunnen zien wat de mannen doen. Lopen ze nu bij één van de gebouwtjes? Er klinkt gekletter. De mannen roepen iets onverstaanbaars tegen elkaar. Dan komen ze allebei terug met een krat in hun handen. Eindelijk kan Flora de tweede man zien. Hij is iets kleiner dan de eerste man, heeft een baard en draagt ook een muts. De mannen zetten de kratten achter de schuifdeur van het busje, die de bestuurder met een klap dichtduwt. De motor start haperend, waarna er een enorme rookwolk uit de uitlaat komt. Flora voelt haar keel prikken maar ze houdt haar hoest in totdat het busje wegrijdt.

‘Was dat het busje dat Fabio bedoelde?’ Anniek hangt ook over de rand van de hut.
‘Dat moet wel, wat stom dat hij net nu weg is!’ Daniël zit rechtop.
‘Wat denken jullie dat er in die kratten zat?’
‘Geen idee.’
‘We kunnen even bij de gebouwtjes gaan kijken,’ zegt Anniek. ‘Misschien vinden we daar een spoor.’
‘Maar stel dat ze zo terug komen, omdat ze iets vergeten zijn of zo.’ Flora’s wangen zijn nog roder dan normaal.
‘Dan kunnen we ze meteen van dichtbij bekijken. Het is hier geen verboden terrein hoor, we mogen hier gewoon lopen.’
Daniël laat zich al naar beneden glijden en Anniek gaat erachteraan. Ook Flora klimt voorzichtig naar beneden. Haar hart bonst maar ze wil niets missen. Zwijgend lopen ze over de verzakte tegels naar de gebouwtjes.

 

Hoofdstuk 3    Rotzooi

‘Daarbinnen is niets,’ zegt Daniël. ‘Tenminste, dat denk ik.’
Daniël loopt rond het gebouwtje, dat net iets groter is dan de garages verderop. De enige twee ramen zijn dichtgetimmerd.
Anniek rammelt aan de deurklink. ‘Op slot.’
Voor de deur ligt wat rotzooi: papiertjes, een leeg colablik en een afgekloven kippenpoot.
Flora raapt een papiertje op en vouwt het open. ‘Een bonnetje, ik denk van het tankstation,’ zegt ze teleurgesteld.
‘En dit, dit lijkt wel een boodschappenlijst,’ zegt Anniek. Ze vist een vlekkerig velletje van de grond dat de laatste regenbui nauwelijks heeft overleefd. ‘Kunnen jullie dit lezen?’ Anniek houdt haar vinger bij een kriebelig geschreven woord.
‘Aanstekers?’ probeert Flora.
‘Een gewoon boodschappenlijstje dus,’ stelt Daniël vast.
‘En wat staat hier?’ vraagt Flora.
‘Oxy..eth..zoline?’ probeert Anniek. En tussen haakjes iets met een N, dat helemaal is weggewassen.
‘Hmm, dat staat eerlijk gezegd nooit op ons boodschappenlijstje,’ zegt Daniël, die nu ook meeleest over Annieks schouder. ‘En daaronder?’
‘Na..proxen,’ leest Anniek.
Dan volgen er nog een paar woorden die met geen mogelijkheid te lezen zijn. Het laatste woord is doorgekrast en half leesbaar: autod…
‘Wat is dit?’ denkt Flora hardop. ‘Wat denken jullie?’
‘Het klinkt als …’ Anniek aarzelt even. ‘Als stoffen waarmee je een bom maakt?’ Daniël knikt.
‘Hou eens op!’ roept Flora.
‘Ik roep ook maar wat,’ zegt Anniek. ‘Ik zoek het thuis wel verder uit.’ Ze vouwt het briefje netjes op.

Er klinkt luid gekuch. De drie kinderen draaien zich met een ruk om.
Flora verwacht de twee mannen uit het busje te zien maar ze ziet iets heel anders: op een paar meter afstand wandelt een man met een bril. Hij heeft een map onder zijn arm. Naast hem loopt een herdershond. De man kijkt vriendelijk, maar de hond staart nogal gemeen, vindt Flora. Ze doet een stapje terug. Net op dat moment hoort ze de fietsen van Hilde en Fabio ratelen.
‘Wat is dat allemaal?’ vraagt de man.
‘Oh niets, we spelen hier gewoon,’ antwoordt Anniek.
De man kijkt bedenkelijk naar Hilde en Fabio die komen aanrennen. De hond begint zachtjes te grommen.
‘Rustig maar Max, het zijn brave kinderen.’ De man aait de hond stevig over zijn rug.
‘Hallo!’ Fabio steekt hijgend zijn hand op. Niemand reageert.
Gelukkig hebben ze het gereedschap bij de fietsen gelaten, bedenkt Flora opgelucht. Want het gaat deze man, en vooral deze hond, niets aan wat De Groene Hand doet.
‘Wandelt u hier graag?’ vraagt Fabio aan de man. ‘Het is hier niet echt gezellig toch?’
‘Gezellig?’ de man kijkt rond of hij het niet begrijpt. ‘Ik woon hier om de hoek. Dit is mijn normale route.’
Flora speurt het terrein af maar ziet niets dat op ‘om de hoek’ lijkt. Ze vindt de man verdacht en wil graag een slimme vraag verzinnen voordat hij weer weg is.
‘Kom Max!’ De man trekt de hond mee aan zijn halsband. Flora waagt een kans:
‘Verzamelt u iets, in die map?’
‘Bedoel je zoiets als herfstbladeren?’ antwoordt de man, voor het eerst lachend. ‘Nee hoor, er zitten ontwerpen in. Ik ben architect en ik bedenk plannen voor dit terrein. Want jullie hebben gelijk, echt aangenaam is het hier nu niet. Als ik jullie was zou ik hier niet te lang blijven hangen, zeker niet als het donker wordt.’
Max heeft nu ineens haast en trekt zijn baas mee.
Als baas en hond ver genoeg weg zijn branden de achterblijvers los over het busje en de mannen met de kratten.
‘Waarom gebeurt er altijd iets als ik er niet bij ben?’ moppert Fabio.
‘Wie zegt dat dit iets was?’ Hilde trekt Fabio mee voor een rondje om het dichtgetimmerde gebouw.
‘Volgens mij is hier namelijk niets.’
‘Maar wat hadden die mannen hier dan te zoeken met hun kratten?’ vraagt Anniek.
‘Misschien hielden ze hier in het weekend een feestje en kwamen ze nu de laatste spullen ophalen?’ bedenkt Fabio. Flora vindt het een goede verklaring. De mannen zagen eruit alsof ze wel van een feestje hielden.
‘Kom, we gaan weer naar de hut!’ roept Hilde. ‘Wil je zien wat we allemaal hebben meegenomen?’
‘Kussens!’ Roept Flora blij.
‘Ja, maar nu eerst die spijkers,’ zegt Hilde. Ze klimt naar boven met een hamer. Daniël gaat erachteraan om te helpen.
‘En wat zit daarin?’ Flora wijst naar het zwarte hoesje dat Fabio om zijn nek heeft.
‘Een verrekijker, een echte. Daarmee kunnen we alles volgen vanuit de boom. Mijn ouders hebben hem ooit gekocht in een wildpark. Als je naar een dier kijkt dat 200 meter verderop loopt is het net of je ernaast staat.’
‘O, laat eens zien!’ Flora probeert het hoesje van Fabio’s nek te trekken maar Hilde komt tussendoor: ‘Het is klaar hier, kom maar naar boven!’

 

Hoofdstuk 4    In het oog

Hilde zit trots in de boomhut. Hij is inderdaad supermooi geworden. Vooral door Hildes werk, denkt Flora, wat is ze toch handig! Zelf heeft ze veel minder gedaan en dat is misschien maar goed ook.
‘Waar zal ik beginnen?’ vraagt Anniek, die weer met het clubschrift zit.
Grijs busje met graffiti, twee mannen met mutsen … ze schrijft alles op wat ze hebben gezien. En ze maakt een tekening van de rij garages en de bijgebouwtjes.
Daniël bestudeert intussen een plank van de hut en zegt: ‘Weet je wat ik me afvraag?’
‘Nou?’ reageert Anniek.
‘Dit zijn hartstikke nieuwe planken. Dat kun je zelfs ruiken. En die bakstenen zagen er ook niet uit of ze daar al jaren lagen.’
‘Ja, en?’
‘Het is nieuw bouwafval. Waar zou dat vandaan komen?’
‘Niet uit die oude garages denk ik,’ zegt Hilde.
Daniël schudt zijn hoofd.
‘Ik denk dat iemand in de buurt zijn huis heeft verbouwd en de rommel hier heeft gedumpt.’
‘Stom,’ vindt Flora, ‘maar het is wel handig voor onze hut! En geef nu die verrekijker eens Fabio!’
Fabio haalt de verrekijker uit de hoes en kijkt interessant terwijl hij het ding naar zijn ogen brengt.
‘Wat zie je? Nu ik!’
Fabio geeft de verrekijker aan Flora.
‘Ik zie alleen maar wazig!’
‘Je moet even rustig focussen. Of aan dat dingetje draaien.’
Flora kijkt aandachtig en draait aan een rond ding tussen de twee kijkglazen.
‘Ja, nu gaat het beter. Jee dit is scherp, ik zie dat blikje bij het huisje liggen. Ik zie gewoon wat erop staat!’
Flora draait haar hoofd en de kijker iets omhoog.
‘Nu zie ik de muur, ik denk van het huisje. Dat kunnen we zo inderdaad perfect in de gaten houden.’
‘Mag ik ook even?’ Anniek zit dicht tegen Flora aan en probeert door de boombladeren hetzelfde te zien als Flora, wat niet lukt.
‘Ja zo, ik probeer nu eerst naast de deur, wacht eens …’ Ineens verstijft Flora. Ze laat de verrekijker van schrik uit haar handen vallen.

‘Wat is er? Wat zag je?’ roept de rest.
Flora veegt met haar hand over haar ogen. ‘Iemand. In de deuropening, bij het huisje. Het leek een vrouw. Of eerder een geest. Met heel gemene ogen en een rimpelig gezicht!’

Fabio pakt zijn verrekijker terug en richt hem op het huisje.
‘Gek, ik zie niks. De deur is gewoon dicht.’
‘Net was hij open, echt waar!’ zegt Flora.
Ze speuren nu om de beurt met de verrekijker, maar er is niets bijzonders te zien.
‘Zullen we er nog een keer gaan kijken?’ stelt Anniek voor.
Flora schudt nee.
‘Kom op, wij zijn met z’n vijven. Als we het nu checken weten we tenminste zeker hoe het zit.’
‘Heel snel dan, want ik moet zo naar huis, het is al bijna half zes,’ antwoordt Hilde.
De Groene Hand-leden klimmen naar beneden, inmiddels doen ze dat al handig.
Anniek, Hilde en Daniël lopen naar het gebouwtje. Flora en Fabio volgen, maar blijven op een afstandje staan als Anniek op de deur klopt. Flora knijpt haar ogen dicht. Dat Anniek niet bang is! In gedachten ziet Flora de rimpelige, grijzende figuur al gillend en dansend de deur uit komen. Maar er gebeurt niets. Anniek, Hilde en Daniël blijven even wachten, maar de deur blijft dicht.
‘Er was helemaal niets te horen of te zien,’ zegt Anniek als ze naar de fietsen lopen. ‘Gek hoor.’

 

Hoofdstuk 5    Heen en weer

Nog vijf minuten, denkt Flora, en dan gaat de bel. Ze kan niet wachten om weer naar de uitkijkpost in de boom te gaan. Gisteren schrok ze heel erg van die heks-achtige figuur bij het huisje, maar inmiddels is ze vooral nieuwsgierig. Met zijn vijven kunnen ze die engerd ook makkelijk aan!

‘Dat was het voor vandaag, morgen verder!’ zegt meester Simon. ‘En vergeet de topo-toets niet!’
Goed dat hij dat zegt, denkt Flora. Het leerblad zit al een week in haar tas, ze vergeet steeds om het eruit te halen. Altijd komt er weer iets tussen! Vanmiddag begint ze echt met leren, maar nu eerst naar de boomhut!

Bij de jassen wachten Anniek en Hilde al op Flora. Ze vertrekken nooit allemaal tegelijk van school als ze gaan vergaderen, dat valt teveel op. Vandaag zijn Daniël en Fabio als eersten vertrokken.
‘Kom, wij gaan ook eens kijken hoe het is bij dat rare hok,’ zegt Hilde lachend. ‘Misschien zit er nu wel een kabouter, of een fee!’
‘Je gelooft me niet hè?’ zegt Flora geïrriteerd.
‘Jawel, ik geloof wel dat jij het zag. Maar ik …’
‘Je denkt dat ik teveel fantasie heb?’
‘Stt!’ komt Anniek ertussen. ‘Iedereen kan jullie horen!’
Flora en Hilde kijken nu allebei boos naar Anniek, die ineens flink haast maakt.

Buiten is het fris, het regent nét niet, maar de zware lucht belooft niet veel
goeds. Flora sloft door de bruine bladeren die langs de stoeprand liggen. Ineens vliegen die op, omdat er met volle vaart een busje langsrijdt. Hét busje!
Anniek ziet het ook. ‘Moeten we er niet achteraan?’
‘Dat halen we nooit, ze zijn de straat al uit,’ antwoordt Flora.
Anniek begint toch te rennen, maar stopt bijna meteen weer. ‘Ze rijden de verkeerde kant op. De benzinepomp is daar!’
‘Dan komen ze er vast net vandaan,’ zegt Hilde.
‘Als dat zo is dan zijn ze ook langs Daniel en Fabio gereden,’ bedenkt Anniek. ‘Misschien hebben die meer gezien dan wij. Het ging zo snel, ik zag niet eens wie er achter het stuur zat.’

Rennend komen de meisjes aan bij het terrein achter de benzinepomp. Fabio en Daniël staan al te wachten, hangend op hun fiets.
‘Zagen jullie het busje?’ vraagt Flora hijgend.
‘Ja! Het reed hier net weg toen we aankwamen,’ antwoordt Fabio. ‘De man met het baardje zat achter het stuur, maar verder konden we zo vlug niets zien.’
‘Staan er nieuwe kratten daarachter?’ Hilde loopt door naar het gebouwtje en wenkt de rest om mee te komen. Het kost Flora moeite om het tempo van de anderen bij te houden, het lijkt wel of haar benen zwaarder zijn dan normaal. Of dat de grond ze naar beneden trekt. Ze durft bijna niet naar de deur te kijken, maar kan haar ogen er toch niet vanaf houden.
Hilde begint te kloppen. ‘Hallo! Is daar iemand?’ Er komt geen antwoord. Fabio probeert het ook. Hij klopt in een grappig ritme. Maar ook dat heeft geen effect, het blijft stil aan de andere kant.
‘Ik denk dat er niemand is. Nooit. Dit is gewoon een opslagplaats voor die mannen,’ meent Hilde. ‘Ze hebben net de deur op slot gedaan en komen misschien pas over twee dagen terug.’
‘Of ze zijn iets vergeten en komen zo weer aanrijden,’ zegt Daniël. Meteen kijkt iedereen achterom. Maar het terrein is leeg.
‘Toch ben ik benieuwd wat er daarbinnen allemaal ligt,’ zegt Anniek. ‘Vast iets geheims, iets illegaals.’

Hoofdstuk 6    Kapot

‘Zullen we nog even naar de hut gaan? Misschien komt die geest wel tevoorschijn als wij uit beeld zijn,’ zegt Daniël.
‘Prima, maar ik geloof er niks van,’ zegt Hilde. ‘Laten we eerst nog één rondje lopen.’
Ze lopen nog een rondje. Om het gebouwtje en langs de garages. Het miezert inmiddels: een waas van minidruppels waait de kinderen in het gezicht.
‘Ik ga terug naar de boom, jij ook?’ zegt Fabio tegen Daniël.
Daniël luistert niet maar tuurt met samengeknepen ogen naar de bosjes om het terrein.
‘Volgens mij zit daar een hond.’
‘Toch niet die herdershond van gisteren hè?’ vraagt Flora.
Daniël haalt zijn schouders op en loopt naar de bosjes. Flora blijft staan, de rest gaat alvast terug naar de hut. Daniël staat nu met zijn neus tussen de struiken. Die zijn van het soort dat in de winter gewoon bladeren houdt.
‘Zie je iets?’ roept Flora. ‘Pas je op?’
Daniël reageert niet, maar dringt tussen de krakende takken en bladeren door. Ineens klinkt nog meer gekraak, verder weg. Daniël veert op, blijft even doodstil staan en rent dan naar Flora. Hij trekt aan haar mouw.
‘Die enge vrouw! Ik zag haar! Daarachter!’
‘Nee! Wat doen we?’
‘Erachteraan!’
‘Nee! Niet met zijn tweeën, we moeten de rest roepen.’ Flora rent weg naar de boomhut.
Anniek komt haar al zwaaiend tegemoet gerend.
Flora zwaait terug en wenkt. ‘Kom! Kom allemaal!’
Anniek schudt haar hoofd bezorgd, maar rent wel door.
‘Wat is er?’ vraagt Flora als Anniek hijgend voor haar stopt.
‘De boomhut!’
‘Wat is daarmee?’
‘Ze hebben hem kapot gemaakt! Alles is weg!’

Nu ziet Flora het ook. De planken van de boomhut liggen kras kris over elkaar op de grond onder de boom.
Daniel komt aangerend en roept: ‘Ik heb haar gezien! Daarachter. Ik wilde haar achterna gaan door de struiken maar opeens was ze weg!’ Dan pas ziet hij de planken liggen.
‘Hoe kan dit? Het heeft helemaal niet hard gewaaid.’
‘En dan nóg. Hij was echt wel stevig,’ zegt Hilde, ‘Je hebt minstens een orkaan nodig om hem weg te blazen. Het zijn dus mensen geweest.’
‘Wie zouden dat nou doen?’ vraagt Flora. ‘Andere kinderen?’
‘Die komen hier niet zomaar. Maar het zou kunnen,’ antwoordt Anniek. ‘Of die mannen van het busje? Stel dat ze ons hebben gezien, of alleen de hut. Dan denken ze: weg met die pottenkijkers.’
‘Dan zijn ze hier gisteravond na half zes dus nog geweest. Of vanochtend,’ bedenkt Hilde. Fabio kijkt opgejaagd om zich heen. ‘Ze zijn echt gevaarlijk. Misschien kunnen we beter ergens anders gaan zitten. Minder afgelegen.’
‘Het kan ook die rare vrouw zijn geweest,’ bedenkt Daniel.
‘Denk je dat die in een boom kan klimmen?’ vraagt Hilde.
Daniel haalt zijn schouders op. ‘Ze kan in ieder geval wel hard lopen en zich verstoppen.’
‘Als we hier stil blijven wachten komt ze misschien weer tevoorschijn,’ zegt Anniek.
‘Ja! Met de verrekijker kunnen we haar precies volgen,’ zegt Flora.
‘De verrekijker!’ Fabio gooit zijn armen in de lucht. ‘Die had ik boven aan een tak laten hangen.’ Meteen klimt hij omhoog, naar de plek waar eerst de hut was.
‘Hij hangt er niet meer! Zien jullie hem ergens beneden liggen?’
De kinderen kijken rond en duwen met hun voeten pollen gras opzij. Nergens een verrekijker.
‘Hing hij nu echt hier of nog een tak hoger?’ vraagt Fabio zich hardop af. ‘Hier zit een spijker, maar daar ook.’ Hij buigt voorover en probeert achter een tak met dorre bladeren te kijken. Het lukt net niet en hij leunt nog iets verder naar voren. Dan wankelt hij. De takken beginnen wild te zwiepen en te kraken onder Fabio’s gewicht.
‘O pas op!’ roept Flora, maar het is al te laat. Fabio valt naar beneden en landt met een klap op de grond.
‘Gaat het?’
Fabio schudt zijn hoofd. Er zitten takjes in zijn haar en er loopt een schram over zijn gezicht. Zijn beide handen houdt hij op zijn linker broekspijp, die flink is gescheurd.
Anniek gaat op haar knieën naast hem zitten. ‘Kun je je been bewegen?’
‘Ik geloof het wel.’ Fabio schuifelt heen en weer met zijn linkervoet.
‘Je bloedt!’ Flora ziet dat de randen van de scheur langzaam rood kleuren.
‘Hebben we een zakmes of zoiets?’ vraagt Anniek.
‘Ik heb een schaar in mijn etui,’ zegt Flora. Ze trekt haar tas van haar rug en rommelt erin tot ze de schaar heeft. ‘Wil je in zijn broek gaan knippen?’
‘Hij is nu toch kapot.’
Anniek pakt de schaar en begint de het stof rond de scheur weg te knippen. Eronder zit een flinke wond, die blijft bloeden.
Fabio bijt op zijn lip en kijkt de andere kant op. Voor zijn doen heeft hij weinig kleur.
‘Daar moet echt verband op,’ vindt Hilde. ‘Anders blijf je bloeden en loopt er straks een heel rood spoor naar je huis.’
Fabio lacht flauwtjes. ‘Ik kan niet eens lopen.’
‘Waar halen we verband vandaan?’ Anniek kijkt omhoog, alsof ze het antwoord in de wolken zoekt. ‘Er staan hier geen normale huizen in de buurt.’
‘Ik weet iets!’ roept Flora. ‘Die architect woont hier toch daarachter, dat is vlakbij. Hij is vast thuis. Kom, dan vragen we of hij iets heeft!’
‘Oké, gaan jullie maar,’ zegt Daniël. ‘Ik blijf hier bij Fabio. Dan kan ik meteen opletten of die vrouw zich nog laat zien.’

Hoofdstuk 7     Eigenaardig document

Achter de bosjes, aan een smalle zijtak van de grotere weg vinden de kinderen het huis. Het staat verscholen tussen bomen en het ziet er bijzonder uit. Heel modern, met veel strakke lijnen en donker geverfd hout. Ze moeten even zoeken naar de deur, die onopvallend aan de zijkant zit. Hilde drukt op de gladde metalen deurbel. Meteen begint een hond te blaffen. Ze horen zijn poten over de vloer krassen. Flora krimpt ineen, ze was de hond even vergeten toen ze haar plan bedacht.
De deur gaat geluidloos open en de architect steekt zijn hoofd nieuwsgierig naar buiten. Als hij de kinderen ziet betrekt zijn gezicht. ‘O, jullie weer?’
‘Hallo, heeft u verband?’ begint Hilde meteen. ‘Een vriend van ons is gewond en het houdt niet op met bloeden.’
‘Dan kunnen jullie beter naar een dokter gaan.’
‘Dat is veel te ver weg! Hij kan nu niet goed lopen.’
De hond wringt langs zijn baas en snuffelt aan de broekspijpen van Anniek. Zo is hij best grappig, denkt Flora. De architect blijft zwijgend staan.
Anniek stapt naar voren en zegt: ‘Alstublieft! Heeft u iets dat we mogen lenen om het bloeden te stoppen? Een doekje is ook goed, of desnoods een wc rol.’ De man aarzelt, zet zijn bril recht.
Flora staat de wiebelen van ongeduld. Wat doet die man nou moeilijk? Die arme Fabio ligt maar te wachten. ‘Kom op, zo meteen bloedt hij nog leeg!’ flapt ze eruit, en ze probeert langs de man naar binnen te glippen. ‘Waar is uw wc, dan pak ik zelf wel wat papier. Als u wilt brengen we morgen wel een nieuwe rol hoor!’
Maar de man houdt haar tegen en duwt haar zacht maar beslist terug. ‘Rustig jongedame. Ik haal wel een rol, wacht maar even.’ Hij doet de deur half dicht en loopt naar binnen. De hond volgt hem meteen.
‘Zullen wij ook naar binnen gaan?’ fluistert Anniek.
‘Volgens mij was niet de bedoeling,’ zegt Hilde met een lach.’
‘Daarom juist. We proberen het gewoon.’ Anniek stapt voorzichtig naar binnen, Flora en Hilde volgen. Er is geen hal, ze staan meteen in een grote open ruimte die nog het meest lijkt op een kantoor. Aan de ene kant staat een enorme bank bij een open haard die letterlijk open is: een vierkante bak in de vloer waarin je vuur kunt stoken. Het zitgedeelte loopt over in een klein keukengedeelte en links staan een tekentafel en een werktafel met een laptop. Die werktafel is de enige plek die niet netjes is opgeruimd: tussen de koffiemokken liggen stapels boeken en papier. De architect zelf is nergens te zien.
Waar zou de wc nou zijn? denkt Flora. Ze ziet Anniek bij de werktafel. Ze loopt er voorzichtig een rondje omheen en blijft staan bij de laptop om iets te bekijken. Dan schrikt ze op van een zacht geratel: er gaat een schuifdeur open vlak bij de ingang. De architect komt tevoorschijn met een rol wc-papier in zijn hand.
‘Wat is dit nou? Naar buiten jullie!’ De man spreekt op rustige toon, maar aan de luide stappen waarmee hij op Anniek afkomt hoor je dat hij boos is. De hond trekt zich er niets van aan en springt enthousiast op de architect af, waardoor hij bijna struikelt. Hij blijft overeind, maar de wc-rol valt uit zijn hand en rolt een stukje over de grond. De hond gaat erachteraan, zet zijn tanden in de rol en begint er als een dolle mee rond te rennen.
‘Max, áf!’ brult de man. ‘Af!’
De hond kijkt schuldbewust maar loopt toch met zachte pasjes verder. De architect gaat er met een lichte frons achteraan. Terwijl Hilde met hem meeloopt wenkt Anniek Flora. Samen bekijken ze snel de werktafel. Op de papieren staan vooral tekeningen en plattegronden. Logisch voor een architect, denkt Flora. Anniek knikt met haar hoofd naar de laptop, waar een vergeeld vel op het toetsenbord ligt. Een ouderwets uitziend, getypt document met krullerige handtekeningen en stempels eronder.
‘Ik heb hem!’ roept Hilde. Met een brede lach houdt ze de wc-rol omhoog.
De architect draait zich meteen om naar Anniek en Flora en komt met uitgestoken arm op ze af. Anniek trekt Flora mee naar de uitgang en Hilde rent erachteraan.
‘Enorm bedankt!’ zegt ze bij de deuropening ‘Morgen brengen we een nieuwe rol!’
‘Doe geen moeite. Ik wil jullie hier nooit meer zien,’ zegt de man droog. Hij steekt zijn uitgestoken hand in zijn zak en blijft voor zijn tafel staan kijken hoe de meisjes het huis verlaten.

Hoofdstuk 8     Lentekamer

‘Dat duurde lang!’ zegt Daniel terwijl hij de wc-rol uit Hildes hand trekt.
‘Sorry, er was daar allemaal gedoe. Hoe gaat het met Fabio?’
‘Gaat wel,’ antwoordt Fabio vanaf de grond. ‘Het bloedt niet meer zo hard.’
Daniel scheurt een paar vellen tegelijk van de rol en geeft ze aan Fabio. Die veegt de naar beneden gelopen stralen bloed zo goed mogelijk weg en dept de wond.
Flora denkt aan de hond, die misschien wel vol bacteriën zat, maar ze zegt niets.
‘Bleef die man zo lang doorpraten?’ vraagt Fabio.
‘Nee, juist niet. Volgens mij houdt hij van alles geheim,’ antwoordt Anniek. ‘Zag je wat daar allemaal op tafel lag Flora?’
‘Bedoel je die tekeningen? En dat oude formulier? Ik had geen tijd om te lezen wat erop stond.’
‘Ik wel. Nou ja, niet alles maar ik heb geprobeerd om heel snel te lezen en zoveel mogelijk te onthouden. Wacht, ik pak het clubschrift erbij.’ Anniek haalt het schrift uit haar tas en begint te schrijven terwijl ze praat: ’Bovenaan stond iets van ‘In het grootste geheim dragen wij de Lentekamer over aan de bewaarder, die deze als afgesproken bewaart tot wij terugkomen. Als wij niet terugkomen …’  en toen kwam die man op ons af! Alleen de datum eronder zag ik nog snel: 16 augustus 1917.’

‘Wat een rare brief,’ zegt Hilde.
‘Hoe kun je een kamer nou bewaren?’ vraagt Flora
‘1917. Dat is meer dan 100 jaar geleden,’ bedenkt Daniël. ‘Wat zou die architect nu nog met dat document willen? Zou het een project van hem zijn?’
‘Misschien vindt hij het gewoon interessant, omdat het zo oud is. Misschien is het wel van zijn opa geweest of zo,’ zegt Fabio terwijl hij probeert op te staan. Het lukt met moeite.
‘De man werd wel érg zenuwachtig toen wij bij zijn tafel stonden,’ zegt Anniek.
‘Volgens mij heeft hij iets te verbergen. We moeten uitzoeken wat een Lente-kamer is. En wat er gebeurde op 16 augustus 1917.’
Flora kan niet wachten om het uit te zoeken. ‘Laten we meteen naar huis gaan. Als Fabio kan fietsen tenminste.’
Fabio loopt inmiddels wankelend rond. ‘Ik probeer het, en anders moeten jullie me maar duwen.’
Flora raapt haar tas op voor ze naar haar fiets loopt. ‘O ja, morgen hebben we die topo-toets,’ herinnert ze zich ineens. ‘Daarvoor moet ik nog leren, dat komt helemaal niet goed uit.’
‘Ik ook,’ zucht Fabio. ‘Hij klimt op zijn fiets, met zijn ‘goede’ been eerst, en rijdt slingerend een paar meter vooruit. De rest volgt hem naar de doorgaande weg. Net als ze willen oversteken komt er van links een busje op ze af. Flora roept: ‘Pas op!’ en haar mond blijft daarna openhangen. Want het is hét busje: het busje met de graffiti.
De kinderen blijven verbluft staan kijken hoe het busje over het terrein naar het gebouwtje rijdt, en daar voor de deur stopt.
‘Zullen we ernaar toe sluipen om ze af te luisteren?’ stelt Anniek voor.
‘Ik ben net blij dat ik zit!’ zegt Fabio. ‘Weer afstappen komen kost teveel moeite en maakt lawaai … hé kijk!’
De kinderen zien één man uitstappen en horen de autodeur dichtslaan. De man loopt met een plastic tas in zijn hand naar de deur en klopt erop. En nog eens. Als er niet wordt opengedaan haalt hij sleutels tevoorschijn, opent de deur en verdwijnt naar binnen. Een paar tellen later komt hij weer naar buiten en begint te roepen. De kinderen luisteren gespannen maar ze kunnen niet verstaan wat de man roept. Hij loopt nu een eindje verder en roept nogmaals. Ineens komt de figuur uit de struiken gelopen, de verwilderde vrouw die Flora en Daniel eerder vanmiddag zagen rennen. Flora houdt haar adem in. Gaat dit goed? Wie van de twee is gevaarlijker? De man en de vrouw lopen op elkaar af. Als ze dichtbij elkaar staan pakt de man de vrouw bij haar schouders en duwt haar vooruit, naar het gebouw. De vrouw stribbelt niet tegen en laat zich mak door de deur naar binnen leiden. De kinderen kijken elkaar vertwijfeld aan.
‘Moeten we iets doen?’ vraagt Flora zacht.
‘Laat maar,’ zegt Hilde. ‘Volgens mij kunnen we ons er beter niet mee bemoeien.’
Na een paar minuten komt de man weer naar buiten. Hij trekt de deur achter zich dicht. Doet hij hem nou op slot? Flora kan het niet goed zien.
‘Kom mee!’ zegt Anniek. ‘Voor hij ons ziet.’
Ze fietsen snel naar rechts, hoewel ze eigenlijk moeten oversteken om daarna linksaf te slaan.
Pas als ze een aantal meters verder zijn durven ze achterom te kijken. Ze zien het busje wegrijden, de andere kant op. Aarzelend blijven ze staan.
‘Die man sloot haar op,’ zegt Fabio. ‘Moeten we de politie niet waarschuwen?’
‘Misschien is er iets raars met haar aan de hand?’ bedenkt Flora.
‘Dan hoef je haar nog steeds niet op te sluiten toch? Ik vind dat we haar moeten bevrijden.’
‘Ze leek niet bang, ze liep gewoon met de man mee,’ zegt Anniek.
‘Van een afstand kun je niet zien of iemand bang is.’
‘Haar zelf gaan bevrijden is een beetje gevaarlijk,’ vindt Hilde.
‘We kunnen morgen nog een keer gaan aankloppen en kijken of ze er is. Misschien horen we dan wat er aan de hand is. Als het nodig is bellen we daarna alsnog de politie,’ stelt Daniel voor.
‘Oké, maar dan nemen we wel telefoons mee. En we gaan fietsend tot de deur zodat we meteen weg kunnen racen als het nodig is,’ zegt Fabio.

Hoofdstuk 9 Smaragden en diamanten

Flora hangt op de bank met haar topo-leerblad. Ze kan zich totaal niet concentreren, haar hoofd loopt over van andere dingen: de grijze vrouw, het busje, de kapotte hut. En de architect met zijn geheimzinnige document over de lentekamer. De lentekamer! Ze kan natuurlijk even opzoeken wat dat nou precies is! Ze gaat achter de laptop van haar moeder zitten, die op de eettafel staat, en toetst ‘Lentekamer’ in. Er komen wat resultaten tevoorschijn. Flora klikt er een aan en leest aandachtig:
‘De lentekamer was de mooiste kamer in het buitenverblijf van de Russische edelman Grigori Entrov (1760-1831). De kamer had muren van bladgoud, rijk versierd met figuren van ingelegd parelmoer en mozaïeken van edelsteen. Figuren uit het planten- en dierenrijk, geheel gemaakt van robijnen, topazen, saffieren, opalen, robijnen en vele andere edelstenen. Bekend zijn de kleurrijke bloemen en vogels, de beer met de groene ogen (van twee uitzonderlijk grote smaragden) en de narwal, die bedekt was met waterdruppels van diamant. Iedereen wilde deze onbetaalbare kamer zien. Vrienden mochten hem komen bewonderen tijdens de feestjes die Grigori en daarna zijn nakomelingen in de kamer gaven. De Lentekamer is nu niet meer te bezichtigen: hij is in 1917 verdwenen en het is onduidelijk of hij nog bestaat. Het verhaal gaat dat de kamer aan het begin van de Russische revolutie is weggehaald om hem uit handen van de revolutionairen te houden. Het buitenverblijf is daarna in brand gestoken. Sommigen denken dat de gehele kamer in met de trein naar Duitsland is gebracht om hem daar te verstoppen. Anderen beweren dat de vier muren apart zijn weggebracht om ze te verbergen op diverse plekken in Europa. Tot nog toe is er echter nog nooit iets teruggevonden, waardoor de meeste onderzoekers ervan uitgaan dat de kamer in de revolutie is vernield en dat de stenen in het geheim zijn verdeeld onder een groepje revolutionairen.

Flora leest het verhaal met vuurrode wangen nog een keer. Er is kennelijk een kamer vol edelstenen verdwenen. En de architect heeft een document waarin iets belangrijks staat over die kamer. Het lijkt of er een stuiterbal in Flora’s hoofd op en neer kaatst. Zou die architect weten … zou de kamer … ? Allemaal vragen die Flora met haar Groene Hand vrienden wil bespreken. Ze moet tot morgen wachten. En morgen is er eerst de topo-toets. Flora grijpt het leervel van de bank, maar ze weet dat het verloren moeite is.

‘Het gaat dus om een gigantische schat!’ zegt Hilde als ze de volgende dag met Flora en Anniek van de gymzaal naar het schoolplein loopt. Zij is de enige die gisteren niets heeft opgezocht over de Lentekamer.
‘Stt!’ doet Anniek, ‘Niet hier. We praten zo verder!’ De schooldag is afgelopen en ze hebben afgesproken bij het terrein achter de benzinepomp.
‘Denk je dat die architect de schat op het spoor is?’ gaat Hilde fluisterend door.
‘Het zou kunnen. Maar volgens mij stond er op het papier alleen dat de kamer werd overgedragen ‘totdat we terugkomen.’ Die ‘we’ dat is natuurlijk de familie van Grigori, die moest vluchten. Maar aan wie hebben ze de spullen overgedragen? Dat heb ik niet kunnen lezen.’
‘Jammer.’
De meisjes lopen zwijgend verder tot ze ver genoeg van de school weg zijn, en ze geen andere kinderen meer zien.
‘Denk je dat de architect meer informatie heeft? Over de verstopplaats?’ vraagt Hilde.
‘Misschien hadden die tekeningen op zijn bureau ermee te maken. O, waarom hebben we niet beter gekeken?’ klaagt Flora. ‘Als we dit van te voren hadden geweten… we moeten gewoon nóg een keer gaan kijken.’
‘Die man laat ons echt niet meer binnen. Het enige dat we kunnen doen is hem stiekem achtervolgen,’ zegt Anniek.
‘Denken jullie dat die mannen van het busje er ook mee te maken hebben?’ vraagt Flora.
‘Misschien zijn zij ook wel op zoek naar de Lentekamer.’
‘Denk je dat hij hier ergens in het dorp verborgen ligt?’ vraagt Hilde.
‘Ik kan het me niet voorstellen. Waar dan?’ antwoordt Hilde.
‘Nou, ik kan wel wat bedenken,’ zegt Flora ‘In de kelders van het kasteel. Of gewoon in een schuur of een boerderij. En wat dacht je van de garages naast het tankstation? Stel je voor dat wij de schat vinden! Die narwal met diamanten lijkt me geweldig!’
‘Nee die beer, met smaragden ogen nog wel!’ roept Anniek. ‘Ik vind dat wij als Groene Hand wel één oog mogen houden als wij hem vinden.’ Hé kijk, daar zijn Fabio en Daniel!’
Fabio en Daniel staan bij een bankje te wachten. De meisjes rennen er geen en ploffen op het bankje. Anniek pakt het schrift uit haar tas. ‘We maken nu vast een lijstje, voor we dingen vergeten. Zometeen bij het terrein hebben we daar geen tijd meer voor.’ Anniek leest hardop voor wat ze schrijft:

– de lentekamer was een kamer met muren vol bladgoud en edelstenen;
– sinds de Russische revolutie (1917) is de kamer zoek;
– er zijn drie mogelijkheden;
1. de kamer is vernietigd
2. de muren van de kamer zijn verplaats naar een veilige plek buiten Rusland. Allemaal op één plek, of op verschillende plekken
3. iets anders?
– de architect heeft een document over de Lentekamer. Daarin staat dat de kamer wordt ‘overgedragen

De Groene Hand-leden overleggen, en Anniek noteert alle vragen die er zijn:

– is de architect op zoek naar de kamer? Dat moet haast wel!
– waar zoekt hij, en waarom daar?
– kan de kamer echt in ons dorp verborgen zijn?
– zoeken de mannen van het busje ook naar de kamer?
– waarom zit de vreemde vrouw opgesloten? Weet zij soms meer?

Anniek bijt op haar pen. ‘Het kan ook zijn dat de architect allang weet waar de kamer is. Misschien heeft hij hem zelfs al gevonden. Of misschien heeft zijn familie het ding al jaren in bewaring.’
Flora veert op: ‘Maar waarom lagen dan al die papieren op zijn tafel? Hij moet nog op zoek zijn! Laten we naar het terrein gaan. We zouden die vrouw toch gaan helpen? Het is nu nog licht.’

 

Hoofdstuk 10 ‘Niets zeggen’

Als ze aankomen is het terrein net zo leeg als anders. Zoals afgesproken rijden ze met de fietsen tot vlak voor de deur van het gebouwtje waar de vrouw gisteren in verdween. Fabio haalt zijn telefoon tevoorschijn en kijkt naar Anniek.
‘Klop jij?’
Anniek knikt en klopt zachtjes op de deur. Ooit was hij glimmend donkergroen geverfd maar nu zit hij vol krassen en schemert de grijze grondverf erdoorheen. Er gebeurt niets.
‘Misschien moet je iets roepen?’ zegt Flora.
Anniek haalt haar schouders op.
‘Mevrouw … ‘ begint Flora zachtjes.
Iedereen houdt zijn adem in maar er gebeurt nog steeds niets. Fabio duwt zijn fiets nog een stukje vooruit, zijn voorband veert tegen de deur.
‘Mevrouw’, zegt hij luid en opgewekt. ‘Mevrouw, wij komen u helpen.’
Er valt een korte stilte, die wordt verbroken door geschuifel binnen.
De kinderen kijken elkaar verrast aan. Maar het geschuifel stopt weer en de deur blijft dicht.
‘Mevrouw, wij zijn kinderen en we hebben iets leuks voor u. Kijkt u maar!’
Waar haalt hij het vandaan? denkt Flora terwijl ze de deur gespannen in de gaten houdt.
Er klinkt weer geschuifel.
‘Ik mag niet naar buiten komen.’ spreekt een scherpe stem achter de deur.
‘Van wie mag dat niet?’
Er komt geen antwoord.
‘Wij komen u helpen. U hoeft niet bang te zijn.’
‘Dat zeggen ze allemaal. Ik heb geen hulp nodig.’
Fabio zucht. ‘Prima, dan gaan we weer.’
De kinderen blijven staan. Ze horen gerommel binnen en daarna gerammel bij de deur. Die gaat langzaam een stukje open. Een vrouwenhoofd steekt naar buiten. Een hoofd met wijduitstaand grijs krullend haar. Met vermoeide, maar nieuwsgierige ogen in een rimpelig gezicht. Flora schaamt zich ineens. Is dit nu die vrouw die ze zo eng vond?
‘Wacht, zegt de vrouw. ‘Wat hadden jullie nou voor leuks? Iets te eten? Ik heb wel zin in chocola. Hebben jullie After Eight bij je?’
Ai, hoe gaat Fabio zich hieruit redden? Flora kijkt gespannen toe.
‘Nou,’ zegt Anniek. ‘Ons bezoek was het leuke. Een beetje gezelligheid. Want u zit hier maar alleen. Wat doet u hier?’
‘Daarover zeg ik niets.’
‘Hebben ze u hier opgesloten? Dwingen ze u om uw mond te houden?’
‘Opgesloten?’ herhaalt de vrouw verbaasd. ‘Dwingen? Nee, ze wílden me opsluiten. Maar hier ben ik veilig. Niets zeggen, tegen niemand hoor!’
‘Maar die mannen met dat busje dan?’ vraagt Flora. ‘Die zijn toch hartstikke gevaarlijk?’
‘Gevaarlijk?’ De vrouw begint te lachen. ‘Dat zijn Martin en Joep. Mijn kleinzoons. Die zijn ongelofelijk lief voor me hoor!’
‘Lief? Maar … wij dachten … laat ook maar. Woont u hier?’ Flora stapt van haar fiets en zet hem op de standaard.
‘Ik mag niets zeggen.’
‘Dit is toch geen huis?’ zegt Hilde die ook afstapt, net als de rest. ‘Mag ik even binnen kijken?’
De vrouw zwaait afwerend met haar armen. ‘Als Martin en Joep dit zien worden ze boos hoor, dan loopt ons plan mis.’
Maar Hilde staat al binnen en de rest gluurt door de deuropening. In de donkere ruimte zien ze een kampeertafel staan met plastic stoelen eromheen. Op de grond staat een stretcher met een stapel dekens. Er staat geen kast, maar aan de muur hangen planken waarop boeken liggen, en pannen, blikken en een ouderwetse radio met antenne. Door de kieren in dichtgetimmerde ramen piepen een paar stralen licht. Het dakraampje zorgt voor de rest.
‘Kampeert u hier?’ vraagt Daniel
‘Een beetje,’ antwoordt de vrouw.
‘Bent u misschien ook op zoek naar iets?’ vraagt Flora.
Anniek geeft haar een por, maar Flora kan haar tweede zin niet meer inslikken; ‘Weet u of er hier in de buurt iets bijzonders is verstopt?’
De vrouw kijkt argwanend met heen en weer schietende ogen. Achter de kinderen klinkt zacht getik. Meteen draaien ze zich om en kijken ze recht in het strakgespannen gezicht van de architect.

Jullie begrijpen het niet hè?’ zegt de architect op rustige toon. Hij wappert zacht met een plastic mapje. ‘Ik wil jullie hier niet meer zien!’
Flora wil het liefst wegrennen, maar ze blijft verstijfd staan.
‘Iedereen mag hier komen,’ zegt Anniek. ‘U bent hier niet de baas.’
‘O nee?’ roept de architect. Hij wappert nu zo hard met zijn mapje dat er vellen papier uitvliegen. Als een razende raapt hij ze weer op en schuift ze terug in de map.
‘Dit is geen terrein voor kinderen. Dat zal iedereen met me eens zijn. Dus…’ De architect maakt een houterig wegwerpgebaar met zijn arm.
De kinderen blijven staan.
‘Hoe duidelijk moet ik zijn? Ik heb geen tijd voor deze flauwekul.’ Kalm bekijkt de architect de kinderen, die op een kluitje bij de open deur staan. Dan stapt hij naar voren en geeft Flora een harde duw. Ze valt naar binnen. Ook Daniël en Anniek worden naar binnen gewerkt, en daarna Hilde en Fabio. Het gaat zo snel dat ze geen tijd hebben om tegen te stribbelen. Terwijl ze van de schrik bekomen horen ze hoe de deur van buiten op slot wordt gedraaid. ‘Jullie hebben je kans gehad, ik kan niet anders,’ klinkt de stem van de architect.
Flora en Hilde rennen naar de deur. Ze bonzen erop en rammelen aan de klink, maar ze krijgen de deur niet open.
‘Zo Max, daar hebben we voorlopig geen last meer van’ horen ze de man nog zeggen. ‘Dan kunnen we eindelijk even ongestoord zoeken.’
‘Hoor je dat? Hij gaat iets zoeken!’ roept Hilde.
‘Stt! Misschien luistert hij ons af,’ fluistert Anniek.
De kinderen houden nu allemaal hun adem in, maar het blijft stil buiten.

Fabio schuift een plastic stoel naar achteren en gaat zitten. De vrouw doet hetzelfde.
‘Wat nu?’ vraagt Hilde. ‘Heeft u een reservesleutel?’
‘Nee, die hebben Martin en Joep. En die komen pas over twee dagen weer. Ik had die sleutel nooit in het slot moeten laten zitten. Die man kon hem nu zó pakken en mee naar buiten nemen.’
‘Twee dagen!’ roept Flora. ‘Dat kan niet! We moeten naar school, ik heb tennisles, onze ouders …’
‘Kunt u uw kleinzoons niet bellen?’ vraagt Fabio.
‘Nee, ik heb niet zo’n ding.’
‘Weet u hun nummer? Dan bel ik ze.’
‘Nee, dat weet ik niet.’
‘Bel je eigen ouders dan,’ zegt Anniek. ‘Die halen ons er wel uit.’
Fabio haalt zijn telefoon uit zijn zak. ‘O nee hè, leeg. Heeft iemand anders er een bij zich?’
Niemand heeft een werkende telefoon.
‘Hoe komen we hier het snelst uit?’ Hilde staat bij een van de dichtgetimmerde ramen. Er zit nog glas in. Hilde probeert het raam te openen door aan een klink te trekken. Maar dat werkt niet, ze moet juist duwen, de ramen gaan naar buiten open. Nou ja, niet dus, vanwege de dikke planken die ervoor zitten.
Hilde kijkt rond; zijn er andere openingen? Ze ziet er geen een, behalve dan het dakraam. Dat zit hoog.
‘Is er hier een ladder?’
De vrouw schudt haar hoofd.
‘We kunnen een stoel op de tafel zetten, en daar dan opklimmen,’ zegt Daniel.
Iedereen kijkt naar de wankele campingtafel.
‘Dat mag jij dan doen,’ zegt Fabio. ‘Ik ben deze week al een keer gevallen.’
‘En wat is dit?’ vraagt Flora. Ze wijst naar een deur die dezelfde kleur heeft als de muur.
‘O, dat is de voorraadkast,’ zegt de vrouw. ‘Die is ingebouwd. Kijk maar, er staat allemaal rommel in. Misschien vind je er wel een ladder.’
Flora trekt de kast open. Hij is vrij diep, met planken links, rechts en voor haar. Er staan blikken en glazen potten en er liggen ijzeren onderdelen. Op de muur zijn papiertjes vastgeprikt met punaises. Schema’s met cijfers. En een verkleurde kalender van jaren geleden.
‘Is dit ooit een echt huis geweest?’ vraagt Flora.
‘Ik geloof het niet, zegt de vrouw. Het was een werkplaats die bij de garage hoorde. Zo’n werkplaats waar je ook nieuwe autobanden kon kopen en zo.’
Flora stapt de kast in. Hij is meer dan een meter diep.
Geen ladder, zegt ze. Wel ziet ze twee kratten met eten staan. Dezelfde kratten die het busje steeds kwam halen en brengen.
‘Nu weten we nog steeds niet wat u hier doet,’ zegt ze.
‘Dat mogen jullie ook niet weten,’ zegt de vrouw. ‘Maar ik zal het toch vertellen.’

Hoofdstuk 11     Verdwenen

De vrouw staat op uit haar stoel, alsof ze een toespraak gaat houden. Flora ziet nu pas dat ze een soort pyjama aan heeft. Of is het een joggingpak? In ieder geval iets dat je niet verwacht bij oudere dames.
‘Ik ben Emmy Jacobs. Tja, en wat doe ik hier? Mijn man Fred is drie jaar geleden overleden. Sindsdien woon ik alleen in ons grote huis. Dat gaat best hoor, maar mijn kinderen denken er anders over. Ze willen dat ik het huis verkoop en in een klein appartement ga wonen. Met een dokter en een fysiotherapeut om de hoek en zo. De hele tijd zeggen ze: ‘Verkoop het nou, want de markt is heel goed! Dan kan de winst naar je bankrekening. Of je geeft vast wat aan ons …’ Ja ja. En dan zeuren ze ook nog dat ik vergeetachtig word.’ Emmy pauzeert even en schudt met haar grijze hoofd. ‘Kom nou zeg! Ik ben 81 jaar en dan vergeet je wel eens wat. Maar ik ben nog helemaal bij hoor!’ Ze tikt met haar hand tegen haar slaap. ‘Een paar weken geleden kwamen ze weer, met een appartement dat ik volgens hen móest nemen, zó geschikt was het. Ik vond het helemaal niks. Je kon nergens naar buiten. Toch hadden mijn kinderen al een afspraak gemaakt met een notaris. Ik werd er helemaal zenuwachtig van.
De enigen die met míj meedachten waren mijn kleinzoons, Martin en Joep dus. Samen bedachten we een plan. Ik zou even verdwijnen. Zomaar. Dan was ik van het gedoe af. En zonder mij konden ze het huis mooi niet verkopen! Martin wist van dit leegstaande gebouw. Ze hebben wat geklust en toen was het snel geregeld.’
‘Maar u kunt hier toch niet altijd blijven? Uw kinderen zullen super-ongerust worden,’ zegt Flora.
‘Nou en?’ antwoordt Emmy. Ze gaat weer zitten.

‘Ik wil straks wél naar huis,’ zegt Fabio. ‘We moeten iets bedenken. Wat vind jij Daniel?’ Daniel reageert niet. Hij zit op de grond met twee vellen papier.
‘Hé Daniël, wat doe je?’
Nu kijkt Daniël op: ‘O, ik bekijk iets. Dit viel uit die map van de architect. Hij ging alle bladen vóór hem als een gek bij elkaar vegen maar hij keek niet achterom.’ Daniël tikt op de vellen die hij heeft buitgemaakt.
‘En dat zeg je nu pas? Wat staat er op?’ roept Anniek.
‘Ik weet niet of het echt interessant is.’

‘Kijk, het is een landkaart,’ zegt Daniel als iedereen om hem heen zit.
Flora wijst naar wazige getekende kriebelrondjes. ‘Zijn dat bomen? En wat zijn al die bruine lijnen?’
Daniël buigt voorover om de kaart nog beter te bekijken. ‘Het lijken wel wegen. Maar dat kan niet, want er lopen helemaal geen wegen op het terrein.’
‘En die grijze dingen, dat zijn gebouwen. Is dat daar zijn eigen huis?’ vraagt Fabio terwijl hij wijst naar een grijze schets rechtsonder.
‘Nee, zijn huis is veel moderner,’ zegt Anniek. ‘Deze schets lijkt meer op dit gebouwtje, maar dan anders. Kijk, dat dak is puntig, en er zijn meer ramen.’
‘Ik denk niet dat we hier nu veel aan hebben,’ zegt Hilde. ‘Ik wil naar buiten!’
‘We kunnen HELP op een vel papier schrijven, en dat onder de deur door naar buiten schuiven,’ bedenkt Flora.
‘Er komt hier nooit een hond, zegt Fabio. Behalve die hond van de architect dan.’
Hilde lacht zuur en zucht: ‘Dan moeten we toch het dakraam proberen. Wie klimt het best?’
‘Jij!’ roepen ze allemaal.
Hilde pakt een plastic stoel en zet hem op de kampeertafel. Dan klimt ze er zelf op. De tafel piept en zakt iets door. De rest kijkt gespannen toe. Hilde zet nu eerst één voet op de stoel en hijst zich er dan helemaal op. De stoel piept nog harder dan de tafel zakt nu heel erg door.
Dat wordt niets, denkt Flora. En ze heeft gelijk want als Hilde wiebelend haar hand omhoog steekt komt ze nog lang niet bij het dakraampje. Ze gaat op haar tenen staan maar dat scheelt hooguit tien centimeter en dat is veel te weinig. Ze springt met een klap naar beneden.
‘Jij bent langer Fabio.’
‘Niet lang genoeg. Pas als mijn arm dubbel zo lang wordt kan ik er misschien bij.’
Iedereen denkt na over een oplossing maar dat levert niets op.
‘Hoe laat is het?’ vraagt Hilde
Emmy kijkt op haar horloge. ‘Bijna half vijf.’
‘Ik heb enorme honger!’ zegt Fabio. ‘Is er hier eten?’
‘In de voorraadkast staat alles dat Martin en Joep voor me hebben gekocht. Daar kan ik in mijn eentje wel tien dagen mee doen. Maar als we dat met zijn zessen opeten gaat het natuurlijk veel sneller,’ zegt Emmy. ‘We moeten zo maar eens kijken wat we vandaag gaan maken.’

Hoofdstuk 12    Voorraadkast

Zelf eten maken in een afgesloten huisje! Flora begint het steeds leuker te vinden.
‘Wat doen we als de architect terugkomt? Hij gaat ons hier toch niet eeuwig laten zitten?’ vraagt Anniek.
‘Dan springen we met zijn allen op hem af!’ zegt Fabio.
‘Echt niet! Dan dan roept hij natuurlijk ‘pak ze!’ tegen die Max,’ zegt Flora. Ze rilt bij de gedachte.
‘We moeten iets lekkers bewaren om dat beest af te leiden,’ bedenkt Hilde. ‘Dat hou ik wel in mijn zak. Als hij binnenkomt ga ik naar de hond, en dan pakken jullie die man.’
‘Goed plan,’ vindt Anniek.
‘Maar wacht … wacht …,’ zegt Flora. ‘Hij ging toch iets zoeken? Iets waarbij hij ons niet kon gebruiken. Ik denk dat hij ons pas los laat als hij gevonden heeft wat hij zoekt.’
‘Denk je … denk je dat hij de lentekamer zoekt?’ zegt Anniek.
‘Wat anders?’ zegt Daniël. ‘En deze kaart moet hem daarbij helpen. Of beter moest hem daarbij helpen.’
‘Als hij merkt dat de kaart weg is komt hij natuurlijk terug!’ bedenkt Flora. ‘Wie weet wat hij dan doet.’
‘We zeggen gewoon dat we van niets weten,’ zegt Anniek. ‘Geef die kaart nog eens.’
Daniël geef de kaart aan Anniek. ‘Die bruine lijnen … zouden die een spoor aangeven? Of verschillende sporen die goed kunnen zijn?’
‘Maar waar komen die sporen dan uit?’ vraagt Hilde. ‘Waar denk je dat de lentekamer verstopt is?’
‘Als we dat eens wisten,’ antwoordt Anniek met een zucht.

‘Wie helpt er met eten maken?’ vraagt Emmy.
Fabio steekt zijn hand op. Emmy wenkt hem terwijl ze de deur van de voorraadkast open maakt. ‘Kom maar mee uitzoeken.’
Daniël en Anniek blijven boven de kaart hangen maar Flora is nieuwsgierig wat er zoal te eten is. Ze loopt naar de kastdeur om te kijken. Emmy en Fabio staan al in het hok.
‘Op die plank staan blikken en potten,’ zegt Emmy. ‘En andere dingen die je lang kunt bewaren, zoals crackers, beschuit en hagelslag. ‘Alle verse dingen liggen daar,’ gaat Emmy door, terwijl ze wijst naar twee kratten waaruit bananen, appels en komkommers steken.
‘Kun je hier ook koken?’ vraagt Fabio. Flora hoort aan zijn stem dat hij bezorgd is.
Emmy schudt haar hoofd. ‘Nog niet. Het is hier voorlopig geen luxe hotel.’
‘Fabio gaat met zijn hand de blikken en potten langs. ‘Koude bruine bonen … nee … koude rode kool … hmm, kan … koude appelmoes … helemaal goed … koude tonijn … kan ook… Ik heb al een idee, heeft u ook mayonaise?’
‘Ik dacht dat ik zo’n tube had. Ligt die er niet tussen?’ Emmy schuift wat potten opzij. ‘Ja, daar ligt hij.’
Fabio pakt de tube van de plank. Hij is erg glibberig. Zo glibberig dat Fabio hem laat vallen. Waar is hij nu gebleven? Fabio inspecteert de vloer op zijn knieën. Hij kijkt achter de kratten en achter lege kistjes maar hij ziet de tube niet. Net als hij op wil staan blijft zijn blik hangen.
‘Kom eens kijken Flora!’
Flora is met één sprong beneden …

Wordt vervolgd …